beteroud2Op 2 juni zijn de ouderenwerkplaatsen van BeterOud van start gegaan. In de werkplaatsen worden projecten van het NPO onder de loep genomen. Vanuit ouderenperspectief wordt gekeken wat goed werkt in de projecten en wat gedeeld moet worden met de ouderen in Nederland. En welke aanbevelingen ouderen mee willen geven aan professionals die werkzaam zijn in de zorg.

Er zijn 3 werkplaatsen met elk een eigen thema:

  1. Voorbereiden op de toekomst
  2. Zelfstandig thuis blijven wonen met beperkingen
  3. Opname in het ziekenhuis en weer naar thuis (transmurale zorg)

In de werkplaatsen nemen 5 tot 8 ouderen plaats die interesse of affiniteit hebben met het onderwerp.

De werkplaats van 2 juni stond in het teken van de overgang van huis naar het ziekenhuis en weer terug naar huis. Miranda Wesselink, beleidsadviseur van de PCOB, begeleidde de werkplaats. Hiervoor zijn een vijftal enthousiaste, actieve en betrokken ouderen uit het hele land naar Utrecht gekomen. Het werd al snel duidelijk dat ze willen dat de stem van de ouderen veel meer gehoord wordt: 'we moeten starten om ouderen serieus te nemen.'

Wat een van de aanwezigen heel mooi verwoordde: 'met het betrekken van de ouderen haal je geen vijand in huis maar een vriend!'

Transmuralezorg

De aanwezigen hadden thuis een viertal projecten bekeken die gericht zijn op het verbeteren van de overgang van huis naar het ziekenhuis vanuit het perspectief van ouderen. Bij deze projecten wordt gekeken naar de informatie die wordt gegeven voorafgaand aan de opname, de screening van risico’s die de opname voor ouderen met zich meebrengt, de wijze waarop familie en mantelzorgers worden betrokken bij de opname en het voorbereiden van de terugkeer naar huis.
'Als transmurale zorg succesvol wil zijn, moeten de ouderen en de mantelzorgers in het voortraject al geïnformeerd worden over deze vorm van zorg. Goede schriftelijke informatievoorziening voor zowel de cliënt als de naasten bij terugkeer naar huis is onontbeerlijk. En daar ontbreekt het nog wel aan bij de verschillende projecten. Daarnaast moet de rol van de huisarts duidelijker worden. Weet de huisarts dat zijn cliënt opgenomen is? En weer ontslagen wordt? Deelt de huisarts de informatie uit het ziekenhuis met de oudere en naasten?'
Tussen juni en september komen de deelnemers van de werkplaats 4 keer bij elkaar. In de volgende bijeenkomst worden 5 nieuwe projecten onder de loep genomen en worden de projecten niet alleen bekeken vanuit ouderenperspectief, maar ook getoetst aan de hand van een concrete casus.

Lees verder
• Alles over transmurale zorg
• 9 tips voor ouderen

bron: Nieuwsbrief 9 juni 2016 van Beter Oud

mondigeouderen voorwebOuderen beoordelen gespreksvaardigheden studenten Toegepaste Gerontologie.
De ene oudere vindt een speeltuintje voor de deur wel gezellig, terwijl de ander vreest voor overlast. Hoe bemiddel je tussen deze partijen, zodat zij elk met een goed gevoel naar huis gaan? Aan tweedejaarsstudenten Toegepaste Gerontologie (voltijd en deeltijd) deze schone taak.

Ouderen vanaf begin betrokken
Oudere vrijwilligersHet bemiddelingsgesprek was de afsluiting van het vak communicatieve vaardigheden en werd dit keer niet alleen beoordeeld door de vakdocent, maar ook door een aantal oudere vrijwilligers. Deze vrijwilligers van onder andere de klankbordgroep ouderen en Denktank 60+Noord waren hier speciaal voor getraind. Bovendien waren de beoordelingscriteria samen vastgesteld. Tenslotte bedachten de ouderen zelf de casuïstiek en speelden zij de ruziënde ouderen.

Toetsing door oudere
“De opleiding heeft harde criteria waarop je een dergelijk gesprek toetst: stelt de student zich professioneel op? Vat hij het gesprek goed samen? Stelt hij de juiste vragen? Heeft hij zich goed voorbereid en houdt hij de regie van het gesprek? Maar het ervaren gevoel is ook erg belangrijk. Als docent heb je daar wel een onderbuikgevoel bij, maar nu kunnen we dit direct checken bij de oudere zelf”, aldus projectleider Marjan Sliepenbeek.

Ook lastig
De betrokken ouderen kijken in met een goed gevoel terug op hun nieuwe taak en ook voor de studenten gaf deze werkwijze een extra dimensie aan het gesprek. Voor de ouderen was het soms ook lastig: “je leeft je soms zo in, dat je vergeet te beoordelen”. Daar was de opleiding op voorbereid en zorgde ervoor dat bij elk gesprek een derde beoordelaar , een oudere of docent, aanwezig was. De studenten moesten overigens best wennen aan deze goed gebekte ouderen. Zo bleek de opdracht ook bij te dragen aan de beeldvorming van ouderen.

De klankbordgroep ouderen
De klankbordgroep geeft (mede) richting aan de inhoud van de opleiding Toegepaste Gerontologie en het lectoraat Innoveren in de Ouderenzorg. Zo denken zij mee over lopend onderwijs, het competentieprofiel en het onderzoeksprogramma. De leden van de klankbordgroep doen dat met veel plezier. “Het contact met de studenten houdt me jong en ik leer veel van ze”, zei een van hen. Een ander noemde de nieuwe taak als beoordelaar als voorbeeld: “ik kan me op deze manier nog ontwikkelen en ergens aan bijdragen”.

Foto: Docent en projectleider Marjan Sliepenbeek bedankt de oudere vrijwilligers voor hun inzet met een stuk taart

10 februari 2016

www.windesheim.nl/over-windesheim/nieuws/2016/februari/mondige-ouderen-maken-het-studenten-best-lastig/

afbeelding bij 65plus en danSamenvatting van resultaten uit een onderzoek over ouderen en ouder worden in Nederland

Prof. Dr. Sabine Otten (Rijksuniversiteit Groningen), in samenwerking met Anjo Geluk en Joop Belderok* (Stichting Denktank 60+ Noord), 1 februari 2015

De demografische structuur van Nederland en andere Westerse industrielanden is veranderd. De groep van ouderen (hier gedefinieerd als mensen van 60 en ouder) wordt in toenemende mate de grootste groep in de hedendaagse maatschappij. Deze ontwikkeling gaat niet samen met een stijgende zelfverzekerdheid en waardering van deze groep binnen de samenleving. De beeldvorming met betrekking tot ouderen is ambivalent en bevat zowel positieve als negatieve aspecten. De negatieve aspecten lijken tenminste psychologisch gezien belangrijker te zijn; zo is een veel gevonden onderzoeksresultaat dat ouderen zich maar matig identificeren met hun leeftijdsgroep. Dit heeft wederom mogelijk consequenties voor onder andere het welzijn en de toekomstige beeldvorming van ouderen.

Om in dit kader specifieker te kijken naar de situatie van ouderen in Nederland, hebben we in de zomer van 2014 een online-enquête opgezet en verspreid. Doel van het onderzoek was om een eerste overzicht te bieden van de beeldvorming van en over ouderen, hun binding met de eigen leeftijdsgroep, hun welzijn, en de samenhangen tussen deze psychologische variabelen.

In totaal hebben ruim 270 respondenten met een leeftijd tussen 61 en 86 jaar de vragenlijst ingevuld. Er is uit deze data een aantal opmerkelijke bevindingen naar voren gekomen:

  • Allereerst valt op dat ouderen aan hun eigen (leeftijds)groep weliswaar iets duidelijker positieve dan negatieve kenmerken toeschrijven, maar dat ze verwachten dat jongere volwassenen dit precies omgekeerd zullen doen. In feite is men dus pessimistisch wat de beeldvorming over ouderen in de huidige maatschappij betreft en vertoont men ook zelf geen uitgesproken duidelijk optimisme.
  • Daarmee gaat samen dat er weinig identificatie met de groep 'ouderen' is. Men ziet zich niet als typische oudere en vindt de groep ouderen niet belangrijk voor het eigen zelfconcept. Tegelijkertijd – ook al is ook hier het gemiddelde relatief laag – is er een neiging om te betreuren bij de ouderen te horen en vindt men zich beter bij jongeren (mensen jonger dan 50 jaar) passen.
  • Hoe ouder men is des te vaker gaat men zich identificeren met de groep ouderen, en ook hoe minder gezond iemand is des te hoger de identificatie. Dit suggereert dat de negatieve kenmerken van het beeld van ouderen door hun zelf geïnternaliseerd worden. 'Oud' zijn wordt geaccepteerd als het niet meer anders kan.
  • Beeldvorming lijkt een belangrijke factor niet alleen wat de ouderen-identiteit betreft, maar ook voor hun emotioneel en sociaal welzijn. Vooral het positieve eigen beeld van de groep ouderen en het veronderstelde positieve meta-beeld van ouderen hangt duidelijk samen met deze aspecten van welzijn. Andersom betekent dit dat een gebrek aan positieve beeldvorming door de ouderen zelf en ook zoals gesignaleerd door hun jongere omgeving, het psychologische welzijn kan belemmeren.
  • Interessant is tenslotte de samenhang tussen aspecten van welzijn en de binding van ouderen aan hun leeftijdsgroep. Zoals gezegd lijkt deze binding vaak samen te gaan met een slechtere fysieke gezondheid – men kan niet langer ontkennen oud te zijn. Het zich identificeren met de leeftijdsgroep valt dan samen met een soort overgave en het instemmen met de stereotypisch aan deze groep gekoppelde kenmerken – positief én negatief. Maar een analyse waarin de effecten van fysieke gezondheid uitgefilterd zijn laat ook nog een andere kant zien: hoe meer men afstand neemt van de eigen leeftijdsgroep en zich meer op de jongere leeftijdsgroep oriënteert, des te minder gelukkig en tevreden men zich voelt. Afstand nemen lijkt dus geen overtuigende strategie om met de aan het ouderdom verbonden dreigingen om te gaan.

Een vraag die uit deze bevindingen voortvloeit is: onder welke omstandigheden kunnen oudere volwassenen tot een positieve identificatie met hun leeftijdsgroep komen, gekenmerkt door een duidelijk gevoel van eigenwaarde en zonder dat ze een klakkeloos maatschappelijke stereotypen over ouderen overnemen. Uit onderzoek naar culturele diversiteit blijkt dat het voor groepen die maatschappelijk met negatieve beelden geassocieerd worden belangrijk is welke ideologieën instellingen, overheid en media communiceren over de waarde van specifieke groepen binnen het grotere geheel. Dit zou ook voor de situatie en eigenwaarde van ouderen een belangrijke schakel kunnen zijn.

Het huidige onderzoek is zeker niet representatief met overwegend hoog opgeleide en uitsluitend zelfstandig wonende deelnemers. Maar het laat wel opmerkelijke samenhangen tussen de gemeten concepten zien. Een volgende stap moet zijn het verder verdiepen van deze kennis. Belangrijke stappen voor de toekomst zijn de uitbreiding van de steekproef, het streven naar longitudinale designs of het experimenteren met interventies ter ontwikkeling van een positieve ouderen-identiteit. Zeer wenselijk is het bovendien om in meer kwalitatief onderzoek meer de diepte in te gaan en zo een genuanceerder beeld te kunnen schetsen van ouderen in Nederland en hun identiteit. Maar ook al op basis van de huidige data kunnen we stellen dat zowel beeldvorming als identificatie met de leeftijdsgroep belangrijke schakels kunnen zijn als het gaat om het welzijn van ouderen in de hedendaagse maatschappij.

* tot 01/08/2014