mondigeouderen voorwebOuderen beoordelen gespreksvaardigheden studenten Toegepaste Gerontologie.
De ene oudere vindt een speeltuintje voor de deur wel gezellig, terwijl de ander vreest voor overlast. Hoe bemiddel je tussen deze partijen, zodat zij elk met een goed gevoel naar huis gaan? Aan tweedejaarsstudenten Toegepaste Gerontologie (voltijd en deeltijd) deze schone taak.

Ouderen vanaf begin betrokken
Oudere vrijwilligersHet bemiddelingsgesprek was de afsluiting van het vak communicatieve vaardigheden en werd dit keer niet alleen beoordeeld door de vakdocent, maar ook door een aantal oudere vrijwilligers. Deze vrijwilligers van onder andere de klankbordgroep ouderen en Denktank 60+Noord waren hier speciaal voor getraind. Bovendien waren de beoordelingscriteria samen vastgesteld. Tenslotte bedachten de ouderen zelf de casuïstiek en speelden zij de ruziënde ouderen.

Toetsing door oudere
“De opleiding heeft harde criteria waarop je een dergelijk gesprek toetst: stelt de student zich professioneel op? Vat hij het gesprek goed samen? Stelt hij de juiste vragen? Heeft hij zich goed voorbereid en houdt hij de regie van het gesprek? Maar het ervaren gevoel is ook erg belangrijk. Als docent heb je daar wel een onderbuikgevoel bij, maar nu kunnen we dit direct checken bij de oudere zelf”, aldus projectleider Marjan Sliepenbeek.

Ook lastig
De betrokken ouderen kijken in met een goed gevoel terug op hun nieuwe taak en ook voor de studenten gaf deze werkwijze een extra dimensie aan het gesprek. Voor de ouderen was het soms ook lastig: “je leeft je soms zo in, dat je vergeet te beoordelen”. Daar was de opleiding op voorbereid en zorgde ervoor dat bij elk gesprek een derde beoordelaar , een oudere of docent, aanwezig was. De studenten moesten overigens best wennen aan deze goed gebekte ouderen. Zo bleek de opdracht ook bij te dragen aan de beeldvorming van ouderen.

De klankbordgroep ouderen
De klankbordgroep geeft (mede) richting aan de inhoud van de opleiding Toegepaste Gerontologie en het lectoraat Innoveren in de Ouderenzorg. Zo denken zij mee over lopend onderwijs, het competentieprofiel en het onderzoeksprogramma. De leden van de klankbordgroep doen dat met veel plezier. “Het contact met de studenten houdt me jong en ik leer veel van ze”, zei een van hen. Een ander noemde de nieuwe taak als beoordelaar als voorbeeld: “ik kan me op deze manier nog ontwikkelen en ergens aan bijdragen”.

Foto: Docent en projectleider Marjan Sliepenbeek bedankt de oudere vrijwilligers voor hun inzet met een stuk taart

10 februari 2016

www.windesheim.nl/over-windesheim/nieuws/2016/februari/mondige-ouderen-maken-het-studenten-best-lastig/

afbeelding bij 65plus en danSamenvatting van resultaten uit een onderzoek over ouderen en ouder worden in Nederland

Prof. Dr. Sabine Otten (Rijksuniversiteit Groningen), in samenwerking met Anjo Geluk en Joop Belderok* (Stichting Denktank 60+ Noord), 1 februari 2015

De demografische structuur van Nederland en andere Westerse industrielanden is veranderd. De groep van ouderen (hier gedefinieerd als mensen van 60 en ouder) wordt in toenemende mate de grootste groep in de hedendaagse maatschappij. Deze ontwikkeling gaat niet samen met een stijgende zelfverzekerdheid en waardering van deze groep binnen de samenleving. De beeldvorming met betrekking tot ouderen is ambivalent en bevat zowel positieve als negatieve aspecten. De negatieve aspecten lijken tenminste psychologisch gezien belangrijker te zijn; zo is een veel gevonden onderzoeksresultaat dat ouderen zich maar matig identificeren met hun leeftijdsgroep. Dit heeft wederom mogelijk consequenties voor onder andere het welzijn en de toekomstige beeldvorming van ouderen.

Om in dit kader specifieker te kijken naar de situatie van ouderen in Nederland, hebben we in de zomer van 2014 een online-enquête opgezet en verspreid. Doel van het onderzoek was om een eerste overzicht te bieden van de beeldvorming van en over ouderen, hun binding met de eigen leeftijdsgroep, hun welzijn, en de samenhangen tussen deze psychologische variabelen.

In totaal hebben ruim 270 respondenten met een leeftijd tussen 61 en 86 jaar de vragenlijst ingevuld. Er is uit deze data een aantal opmerkelijke bevindingen naar voren gekomen:

  • Allereerst valt op dat ouderen aan hun eigen (leeftijds)groep weliswaar iets duidelijker positieve dan negatieve kenmerken toeschrijven, maar dat ze verwachten dat jongere volwassenen dit precies omgekeerd zullen doen. In feite is men dus pessimistisch wat de beeldvorming over ouderen in de huidige maatschappij betreft en vertoont men ook zelf geen uitgesproken duidelijk optimisme.
  • Daarmee gaat samen dat er weinig identificatie met de groep 'ouderen' is. Men ziet zich niet als typische oudere en vindt de groep ouderen niet belangrijk voor het eigen zelfconcept. Tegelijkertijd – ook al is ook hier het gemiddelde relatief laag – is er een neiging om te betreuren bij de ouderen te horen en vindt men zich beter bij jongeren (mensen jonger dan 50 jaar) passen.
  • Hoe ouder men is des te vaker gaat men zich identificeren met de groep ouderen, en ook hoe minder gezond iemand is des te hoger de identificatie. Dit suggereert dat de negatieve kenmerken van het beeld van ouderen door hun zelf geïnternaliseerd worden. 'Oud' zijn wordt geaccepteerd als het niet meer anders kan.
  • Beeldvorming lijkt een belangrijke factor niet alleen wat de ouderen-identiteit betreft, maar ook voor hun emotioneel en sociaal welzijn. Vooral het positieve eigen beeld van de groep ouderen en het veronderstelde positieve meta-beeld van ouderen hangt duidelijk samen met deze aspecten van welzijn. Andersom betekent dit dat een gebrek aan positieve beeldvorming door de ouderen zelf en ook zoals gesignaleerd door hun jongere omgeving, het psychologische welzijn kan belemmeren.
  • Interessant is tenslotte de samenhang tussen aspecten van welzijn en de binding van ouderen aan hun leeftijdsgroep. Zoals gezegd lijkt deze binding vaak samen te gaan met een slechtere fysieke gezondheid – men kan niet langer ontkennen oud te zijn. Het zich identificeren met de leeftijdsgroep valt dan samen met een soort overgave en het instemmen met de stereotypisch aan deze groep gekoppelde kenmerken – positief én negatief. Maar een analyse waarin de effecten van fysieke gezondheid uitgefilterd zijn laat ook nog een andere kant zien: hoe meer men afstand neemt van de eigen leeftijdsgroep en zich meer op de jongere leeftijdsgroep oriënteert, des te minder gelukkig en tevreden men zich voelt. Afstand nemen lijkt dus geen overtuigende strategie om met de aan het ouderdom verbonden dreigingen om te gaan.

Een vraag die uit deze bevindingen voortvloeit is: onder welke omstandigheden kunnen oudere volwassenen tot een positieve identificatie met hun leeftijdsgroep komen, gekenmerkt door een duidelijk gevoel van eigenwaarde en zonder dat ze een klakkeloos maatschappelijke stereotypen over ouderen overnemen. Uit onderzoek naar culturele diversiteit blijkt dat het voor groepen die maatschappelijk met negatieve beelden geassocieerd worden belangrijk is welke ideologieën instellingen, overheid en media communiceren over de waarde van specifieke groepen binnen het grotere geheel. Dit zou ook voor de situatie en eigenwaarde van ouderen een belangrijke schakel kunnen zijn.

Het huidige onderzoek is zeker niet representatief met overwegend hoog opgeleide en uitsluitend zelfstandig wonende deelnemers. Maar het laat wel opmerkelijke samenhangen tussen de gemeten concepten zien. Een volgende stap moet zijn het verder verdiepen van deze kennis. Belangrijke stappen voor de toekomst zijn de uitbreiding van de steekproef, het streven naar longitudinale designs of het experimenteren met interventies ter ontwikkeling van een positieve ouderen-identiteit. Zeer wenselijk is het bovendien om in meer kwalitatief onderzoek meer de diepte in te gaan en zo een genuanceerder beeld te kunnen schetsen van ouderen in Nederland en hun identiteit. Maar ook al op basis van de huidige data kunnen we stellen dat zowel beeldvorming als identificatie met de leeftijdsgroep belangrijke schakels kunnen zijn als het gaat om het welzijn van ouderen in de hedendaagse maatschappij.

* tot 01/08/2014

DSCF2710web211x159De Denktank had een gesprek met Prof. Dr. Ir. George de Kam over woonservicegebieden voor ouderen. Hij heeft, samen met, 400 ouderen gesproken voor het onderzoek omtrent de effecten van woonservice gebieden voor ouderen "Kwetsbaar en Zelfstandig".

Enkele conclusies die daarbij aan de orde kwamen:

De zones en vooral het goed op elkaar aansluiten van aanpassingen en voorzieningen en het formeel en informeel netwerk van mensen hebben een "dempend" effect op zorgbehoefte en welbevinden van ouderen die woonachtig zijn in deze zones.
Men woont zelfstandig maar ervaart de "beschutting" en ontmoetingsmogelijkheden positief. De mate waarin dit is hangt af van de mate waarin de zone is toegerust.
Sociale contacten bepalen in hoge mate het welbevinden van ouderen. Beperkingen worden dan minder als zodanig ervaren.
De Denktank wilde weten of de eigen regie van ouderen bevorderd wordt in dergelijke zones. Wederkerigheid is heel belangrijk. Mensen willen en kunnen altijd iets doen voor de samenleving. Zelfs iemand die de hele dag voor het raam uitkijkt naar een plein, kan nog suggesties hebben voor verbeteringen van de leefomgeving.
Belangrijk is dat woonservice gebieden niet gedomineerd worden door aanbieders van zorg, woningcorporaties enz. Belangrijk is dat er keuzemogelijkheden zijn.
Vraagpanels van gebruikers/ouderen over behoeften zouden een belangrijke invloed kunnen uitoefenen op de eigen regie van ouderen.


Wat ouderen zelf vinden is samengevat in een Manifest van de thuiswonende ouderen:

"Ik, thuiswonende oudere....

  1. Wil zo lang mogelijk thuis blijven wonen, in mijn eigen huis, te midden van mijn eigen sociale netwerk en in mijn eigen wijk, zoals het altijd is geweest;
  2. Wil door anderen worden ondersteund in dit streven, hetzij door persoonlijke hulp, hetzij door aanpassingen in mijn omgeving (woning en wijk), hetzij door keuzes geboden te worden in het vorm geven aan mijn leven;
  3. Ben in het licht van al mijn beperkingen en toenemende lichamelijke en geestelijke ongemakken tegelijk realistisch en optimistisch over de mogelijkheden die mij nog resten in het zicht van de haven;
  4. Verwacht dat mijn omgeving zorgt voor een basisniveau van toegankelijke (medische) zorg en ondersteuning op het moment dat ik aangeef die nodig te hebben;
  5. Wil van betekenis zijn voor mensen in mijn omgeving en niet slechts een last vanuit volledige afhankelijkheid;
  6. Heb een eigen identiteit als bewoner van deze wijk of dit dorp en wens daarin erkend en herkend te worden;
  7. Maak gebruik van de oplossingen die mij worden geboden als ik ze nuttig vind en verzin anders mijn eigen oplossingen;
  8. Wens dat organisaties en beroepskrachten die mij ondersteunen aansluiten bij mijn leefwereld in plaats van dat ze mij dwingen me te voegen in hun systemen."


Aanbevelingen uit het onderzoek:

  • Blijvende aandacht (in maatwerk) voor het aanpassen van woningen, specifiek ook voor eigenaar bewoners; daarnaast liggen er ook nog opgaven voor corporaties op dit gebied. Het is belangrijk dat een (landelijke) uitwisseling van ervaringen, instrumenten en best practices op dit gebied verder wordt gestimuleerd.
  • Versterking van de kernkwaliteit van woonservicegebieden: een vorm van in ieder geval communicatie en waar dat pas ook samenwerking tussen ouderen, vrijwilligers en professionals in het gebied waardoor ouderen beter 'gekend' zijn, hun eigen inbreng tot zijn recht kan komen, en waar dat nodig is passende zorg en ondersteuning geleverd wordt. Daarbij is veel aandacht nodig voor de complementaire betekenis van informele en professionele zorg en ondersteuning. Het manifest van de thuiswonende oudere kan leidraad zijn.
  • Op het niveau van gemeente en de verschillende betrokken instellingen: reflecteer op de samenwerking en wat deze bijdraagt aan de realisatie van de voorgaande aanbeveling.
  • In verband met doelmatigheid, de verschillen tussen 'investeren' en ' incasseren' woonservicegebieden, en de wenselijkheid om schotten tussen financieringssystemen zo veel mogelijk te doorbreken is actieve betrokkenheid van zorgkantoren in de verdere ontwikkeling van woonservicegebieden wenselijk.
  • In veel woonservicegebieden zijn er nog mogelijkheden om door betere communicatie met de ouderen en afstemming tussen aanbieders de bekendheid en het gebruik van voorzieningen en diensten voor ouderen te verbeteren.
  • In bredere processen van wijkaanpak of herstructurering van bestaande wijken meer aandacht voor de inbreng van en communicatie met ouderen, en voor maatregelen om de veiligheidsbeleving van ouderen te verhogen.

Zie voor het complete onderzoek Kwetsbaar en Zelfstandig www.enocent.nl