foto geesjenijhofGeesje Nijhof – reflecties op ouder worden

Saamhorigheid en wederkerigheid

In mei was ik tien geworden en mocht ik voor het eerst meehelpen met de straatversiering voor ons Middendorp voor het school- en volksfeest. Dit feest werd iedere drie jaar gehouden in september en de voorbereiding ervan was al een feest op zich. Werken aan de versiering gebeurde in het geheim want het Noordeind en het Westeind – de andere buurten in ons dorp- mochten absoluut niet weten wat we maakten.

Veel mensen hielpen mee en er was één man die de taken verdeelde, toevallig onze buurman. We werkten ook in zijn schuur. De kinderen moesten van hem strootjes knippen. Na schooltijd begonnen we daarmee en ook ’s avonds na het eten mochten we altijd nog even helpen totdat het onze bedtijd was. De aanwezige vrouwen naaiden van die strootjes matjes om conservenblikken te bedekken. De mannen maakten driepoten die met groen werden versierd. De conservenblikken werden gevuld met afrikaantjes. Uiteindelijk bestond één versiering dan uit een driepoot met stormlantaarn met een blik afrikaantjes eronder. In het feestweekend stond deze versiering in ons dorpsdeel langs de weg.

Het knippen samen met de andere kinderen was leuk en we hadden grote lol samen. Maar er was iets wat me opviel. Er waren alleen maar moeders en vaders en kinderen bezig met versieren. Opa’s en oma’s zag je niet aan het werk in die schuur. Er kwam wel regelmatig een opa kijken die grapjes met ons maakte of praatte met de vaders of de moeders maar oma’s zag je nooit. Ik ving op uit een gesprek dat we wel moesten opschieten met die matjes. Vooral het naaien was nog heel veel werk.

Die avond lag ik hierover te denken in bed en opeens schoot me een oplossing voor die matjes te binnen. De volgende dag op school moest ik er steeds aan denken en kon bijna niet wachten tot de school uit was.

Toen de schoolbel eindelijk ging sprong ik op en fietste snel naar onze werkschuur. Ik verzamelde alle geknipte strootjes en vertelde de andere kinderen dat ik die ging wegbrengen om er matjes van te laten naaien. Niemand vroeg me hoe ik dat wilde doen. Ik stopte alles in mijn fietstassen en reed het Middendorp in.

Allereerst ging ik naar onze overbuurvrouw Rika -die al lang oma was- en vroeg haar of ze wilde helpen matjes naaien voor de versiering omdat we nog lang niet klaar waren. Nadat ik verteld had hoe het moest wilde ze wel en gaf ik haar strootjes voor vijf matjes. Zo ging ik alle oma’s langs en er waren maar drie die zeiden dat ze het liever niet deden. Toen de moeders ’s avonds kwamen verbaasden ze zich erover dat er maar zo weinig strootjes waren en besloten ze die avond te helpen met het groen voor de driepoten.

De volgende dag na school haalde ik de genaaide matjes weer op. Een paar oma’s vertelden me dat ze het leuk vonden om zo te helpen en of ik nieuwe strootjes kwam brengen. Er waren er ook twee die zeiden dat het wel heel moeilijk was om te doen en dat ze het zo wel genoeg vonden. Trots kwam ik de schuur binnen met een grote stapel matjes en ik weet nog heel goed dat de buurman -onze leider- op me afkwam en vroeg waar ik die matjes vandaan had gehaald. Ik vertelde hem opgewonden wat ik had gedaan. Echter in plaats dat hij ook blij was met dit resultaat reageerde hij verontwaardigd met: ”Dat kan toch niet zomaar; die oude mensen aan het werk zetten! Wat denk je wel, snotaap die je bent.” Tranen brandden achter mijn ogen en die middag heb ik niet meer geholpen.

Thuis tijdens het avondeten bleek dat mijn vader al was ingelicht door de buurman. Gelukkig was hij helemaal niet boos. Hij vertelde me dat hij trots op me was omdat ik zo mijn best had gedaan om de matjes af te krijgen. Hij vertelde er ook bij dat niet iedereen het fijn vindt dat kinderen op eigen houtje hun plannetjes uitvoeren en ook dat onze buurman bij die groep hoorde. Voor mij was de boodschap duidelijk. Mijn plan was goed geweest maar de aanpak viel niet in goede aarde bij onze leider. Jammer, volgende keer maar beter overleggen.

Deze gebeurtenis heeft me er toen gelukkig niet van weerhouden die avond gewoon weer naar de schuur te gaan om te helpen met wat ons kinderen werd gevraagd. Wel ben ik de volgende dag naar alle oma’s gegaan die om meer strootjes hadden gevraagd om te zeggen dat ik er niet meer voor ze had maar dat de matjes die ze hadden gemaakt allemaal gebruikt werden.

Dit voorval uit mijn jeugd kwam opeens in me op tijdens een bijeenkomst met hulpverleners, welzijnswerkers, gemeenteambtenaren en ouderen. Het onderwerp van de bijeenkomst was: ”Wat hebben ouderen in dorpen en wijken nodig en wat kunnen ze zelf doen om te voorkomen dat ze zich eenzaam gaan voelen.” Eén van de welzijnswerkers vertelde toen dat ze een goede ervaring had met het zelf actief benaderen van ouderen die zich nooit uit zichzelf lieten horen of aanboden iets te doen.

Haar manier om deze mensen te betrekken was met hen in gesprek gaan en laten vertellen waar ze plezier aan beleefden. Als ze dan een geschikte klus had benaderde ze de betreffende oudere met een verzoek iets te doen voor de buurt. Het resultaat was dan dat zo iemand zich medeverantwoordelijk ging voelen voor de woonomgeving en zichzelf daardoor ook veel betrokkener voelde en minder eenzaam.

Eigenlijk ligt deze aanpak zo voor de hand maar helaas is de realiteit dat veel oudere mensen in deze tijd niet aangesproken worden op wat ze nog wel kunnen. Als we ons dit bewust zijn hoeft het niet zo lastig te zijn om met elkaar verbindig te zoeken in de eigen omgeving met als doel iedereen mee laten doen van jong tot oud.

Met mijn jeugdervaring weer helder voor de geest verwacht ik dat juist nu spontane acties van kinderen, maar ook gerichte aandacht van beroepskrachten voor het potentieel van de individuele oudere niet alleen productief is maar zeker ook kan bijdragen aan zingeving tot op hoge leeftijd.